Archives for posts with tag: ambilicious

Het meisje met de spillebeentjes

Ze was van huis weggelopen toen mamma haar gouden lokken wilde knippen en nu balanceerde ze op een paars geschilderd parkeerdek op mamma’s rode pumps.

‘Mijn meisje,’ had mamma ooit gezegd toen zij haar haren borstelde en er kunstbloemen doorheen weefde die zij altijd droeg.

Mamma was vaak niet thuis, vooral ’s nachts. Dan moest ze werken, zei ze. Zij vergat macaroni met kaas klaar te maken hoe vaak en lief ze het ook op een briefje vroeg. Het meisje at likkaakjes en dronk water uit de kraan.

Het buurjongetje met wie ze wel eens speelde zei dat ze gekke beentjes had. Als ze van de trap viel zag mamma haar gekneusde enkels niet. De kinderen van de galerij riepen ‘brekebeen’, maar dat hoorde mamma niet als zij sliep.

Vanmorgen was mamma vroeg haar kamer binnengekomen. Bloed liep over haar gezicht en op haar hoofd zaten kale plekken.

‘Je haar,’ zei ze, ‘ik heb je haar nodig.’ In haar hand hield ze de keukenschaar. Tussen haar benen en op mamma’s pumps was ze naar buiten gestuiterd.

Op het paarse parkeerdek trok ze aan de draden van haar rokje en haar trui die steeds korter werden. De rafels bood ze aan voor een likkaakje. Geen voorbijganger keek haar aan.

De volgende morgen werd ze koud aangetroffen, in een hoekje op haar spillebeentjes die afbraken toen ze werd opgetild. Er werd gefluisterd dat ze altijd al een brekebeentje was geweest.

De hemel gloeide dieporanje voor het meisje. Zij voelde zijn saluut niet.

Tekst:         Mili van Veegh
Illustratie: Judith Zijtregtop

Advertenties


‘Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag
Lang-uit met moeder in de warme hei,
De wolken schoven boven ons voorbij
En moeder vroeg wat ‘k in de wolken zag’
(Martinus Nijhoff)

In de verte van mijn herinneringen dwaalt ze door mijn gedachten.
In mijn verbeelding heb ik haar altijd gekend.
In de voorbijschuivende wolken die prachtige wolvinnen werden herkende ik haar gezicht.
Schuilend onder het afdak van een tijd waarin alles zo anders had kunnen zijn, voelde ik haar koele huid.
Ik was haar welp en verlangde naar haar armen.
Niemand wist haar te vinden.

Tot, wat nog van haar leven restte, onverhoeds de sporen van een verloren strijd rondstrooide.
Rekeningen moesten vereffend worden, op slag kon men verbanden leggen.
De dramatiek van het lot overspoelde mij, de ontbering leed rechtstreeks schipbreuk in het aquarel van mijn naakte kinderogen; ze was zo mooi en kwetsbaar als een flirtende engel.

In haar laatste jaren zocht ik wanhopig naar sleutels van de liefde. Het bleef bij rode rozen, een geurkaars op haar nachttafeltje en wat bloemenkussens op haar bed. Aan haar wand hing ik wolkenvelden, maar van mij wist ze niets meer.

Vandaag sluit ik de deur van het sanatorium voor het laatst. Met aan mijn hand haar leven in een hemelsblauwe koffer. Ik loop de zevende maand van het jaar in. De lucht is drukkend zwaar. Aan het klamme park kleven de gefnuikte wolken die mijn wolvinnen de vaardigheid van het jagen ontnamen.
Ik blijf staan en voor het eerst sinds jaren kijk ik weer omhoog.

Waar vergat je mij?

Ik val op mijn knieën en onder voortdrijvende wonderen open ik met bevende vingers de sloten van de koffer. Wolvinnenmelk klotst blauwwit op. De sloten branden in mijn handen door het verbreken van haar levensbanden. De energie die vrijkomt is als een lichtexplosie. Kleuren, die mij plagerig kussen, spelen tikkertje voordat zij verdwijnen in het druppende wolkendek. Ik kan mij nog even koesteren in haar warmte.

Op de melk drijft een engeltje. Ik vis haar eruit en lik haar schoon.  Haar gazen vleugeltjes trillen na als zij tegen mij begint te praten.

‘Kindlief, ik heb van je gehouden, je was mijn oudste. Iedere nacht kwam ik bij je langs en streek over je gouden haren. Mijn lendenen werden jachtig na jou te hebben gedragen en ik ging de verre wolken achterna. Ik kende mannen op mijn reis die ik meer dan anderen beminde. Jouw broers en zussen liet ik bij hen achter. Ik baarde zeven kinderen; ze zijn van parelmoer of albastzwart.  Naarmate ik ouder werd, verloor ik mijn vaardigheden en keerde terug naar de wieg van mijn eerstgeborene. Met jou is alles begonnen. Huil niet mijn kind, ik ga je slechts voor.’

Mijn ogen zoeken naar madeliefjes op lange steeltjes. Mijn vingers plukken ze, rijgen ze aaneen. Mijn handen leggen de bloemenslinger op haar wit geworden gezichtje
De wolken lossen op. De nacht is daar. De maand draagt een negen in haar getal, de boomkalender toont de hazelaar. Wellustig pionier en vruchtbaar minnaar.
Eindelijk sla ik de koffer dicht. Mijn tranen zijn gedroogd.

De elfen – mooier dan de zon of donkerder dan pek – zitten veilig in mijn herinnering. De wolven jagen rustig en moeder spreekt mij fluisterend toe in de luwte van mijn gedachten.
Ik snij een toverstaf zoals de Kelten deden en voel aan het rijpen van de hazelnoten dat ook voor mij de herfst zal komen.

Zelfs in de nacht kijk ik nu vol verwachting naar boven en in het beeld van Virgo zoek ik Porrima, de dubbelster die zich verenigt om zich weer cyclisch te scheiden. Dat is precies wat moeders doen en ik besef dat samen met hun vrucht, ook het afscheid wordt geboren.

Tegen de ochtend zullen de wolken weer gaan jagen, liggen nieuwe einders in het verschiet.
Op een wit gezichtje zullen madeliefjes bloeien en alleen ik zal weten wat Blodeuwedd in de wolken zag.
Ik heb haar, bij het afscheid, voor eeuwig in een metafoor gesloten.

Het mysterie van het leven is een moeders idioom, alleen wij weten wanneer onze dochters paren.
Maagd, moeder, dochter, onze drievuldigheid is een heilige spiraal. Wij alleen kunnen dat geluk ervaren; de pijn van het onvolprezen baren en het voor altijd met elkaar verbonden zijn.

De mystiek die mijn moeder achterliet, is niet in koffers te bewaren.

Geschreven door Mili van Veegh, Elyse van der Roer, Johan Redant.
Trots, ik mocht de illustratie maken.
Uitgeverij Ambilicious